Zeg niet dat een man niet om bloemen geeft

bloemen
Bosje bloemen uit het wild

Onbeweeglijk zit meneer Hansen in zijn enorme rolstoel. Hij praat niet met anderen. Hij zit en hij kijkt, de hele dag.

Toen ik hem voor het eerst ontmoette ging ik ervanuit dat zijn binnenwereld afgesloten was van de buitenwereld. We zijn hier tenslotte in een tehuis voor dementerenden – velen leven in hun eigen wereld – dus zo raar is die aanname niet. Maar wel fout.

Ik vroeg hem of hij koffie wilde en hij zei duidelijk dat er een klontje suiker en geen melk in moest – en toen viel me zijn heldere blik op. Het kopje ging doelbewust en zonder trilling van tafel naar mond. Hoe meer ik op hem lette, hoe duidelijker het me werd dat deze man behoorlijk helder was, en vriendelijk bovendien.

Op een van de eerste lentedagen kom ik zijn afdeling oplopen. Het blijkt dat ik tijd heb om iets met de bewoners te doen. De zonneschermen zijn naar beneden, de airco staat aan, de meeste mensen zitten knikkebollend voor de televisie. Behalve meneer Hansen, die zichzelf weliswaar op de waakvlamstand heeft gezet maar direct ja knikt als ik hem voorstel naar buiten te gaan.

De brede banden van het enorme gevaarte dat zijn rolstoel is, zijn te zacht opgepompt en ik moet mijn hele lichaam inzetten om vooruit te komen. ‘We kunnen niet naar het park,’ zeg ik hem, ‘ik ben niet sterk genoeg voor de heuveltjes’. Hij reageert niet. Hij heeft zijn hoofd in zijn nek gelegd en kijkt naar de hemel. Ik kijk ook. Blauw en een paar witte wolkjes.

Dan kijkt hij naar de haag langs het voetpad. Ik ook. Verse groene uitlopers.

‘We kunnen niks meenemen he?’ vraagt hij.

‘Nee,’ zeg ik. We kunnen toch geen haag mee naar binnen nemen?

Ik kijk nog eens goed. Paardenbloemen. Ik pluk er een paar af en druk ze in zijn hand. Zijn gezicht toont geen emotie. Hij zegt alleen ‘ja’. Verder niets. Hij zegt nooit iets tenzij je iets vraagt.

Daar gaan we, de woonwijk in. Ik pluk boterbloemen. Spring omhoog en krijg vat op de onderste takken van een prunus. Het is niet mijn gewoonte, maar dit dient een hoger doel en ik scheur een paar takken roze bloesem af. Op een weitje staat fluitekruid. In een verwaarloosde border pluk ik hondsdraf, madeliefjes, een paarse bloem waar ik de naam niet van ken, wat groen. Alles stop ik hem in zijn handen. Het bosje bloemen drukt tegen zijn buik, zijn handen er beschermend omheen.

Ik duw hem nu snel naar huis voor ze gaan verwelken. In de lift begint hij te praten. Hij weet niet of hij een vaas heeft. Hoe komt hij aan een vaas? En mogen de bloemen op zijn kamer? Ik zeg hem dat het allemaal wel zal lukken maar hij is er niet gerust op.

In de huiskamer vind ik achter in een kast een glazen vaas en ik zet de bloemen erin. Ik zet ze naast hem op tafel. ‘Ja ja’, zeg ik als ik zijn ongeruste blik zie, ‘straks zetten we ze naast uw bed’.

‘Was fijn hè? Daarnet, buiten,’ zegt hij tegen me als ik hem zijn warme eten breng.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat was zeker fijn.’

Hij zegt het die avond nog een paar keer tegen me.

De zuster vertelt me dat meneer Hansen geen vrouw of kinderen heeft, geen broers en zusters. Er komt nooit iemand op bezoek. Niemand neemt hem ooit mee naar buiten. Hij krijgt nooit bloemen. Zeg niet dat een man niet om bloemen geeft.

Een gedachte over “Zeg niet dat een man niet om bloemen geeft”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.