Waren we maar rijk en niet zo knap

(leestijd 1 minuut)

Meneer Paul is een grapjas. Waarschijnlijk altijd al geweest. Maar als de rest verdwijnt en alleen de grappen overblijven, dan heb je als dementerende pech. De omgeving ook.

Tegen een tafelgenote aan de overkant:
– Ben je gisterenavond gevallen?
Verwarring aan de overzijde.
– Ik wel. In slaap.
(lachband)

– Moet jij niet werken? vraagt een verwarde vrouw hem.
– Werken? Nee, daar heb ik geen tijd voor.
(lachband)

Ik ben in gesprek met een bewoonster. Voor haar ligt een snee krentenbrood waar ze slechts 1 stukje van heeft gegeten.
Ik: Heeft u echt geen trek meer?
Mevrouw: Krentenbrood is zwaar hoor.
Meneer Paul: Een kilo wit brood of een kilo krentenbrood zijn even zwaar. Ik heb ’t zelf gewogen.
(lachband terwijl mevrouw nog een zacht ‘is niet waar’ uitbrengt)

– Waren we maar rijk en niet zo knap, roept hij vanuit zijn leunstoel bij het raam.
(lachband komt wat laat op gang)

– Dood is mooi hoor.
Ik kijk hem verwachtingvol aan hem. Misschien volgt er iets diepzinnig.
– Er komt er geeneen terug.
(lachband vertoont haperingen)

Een dame krijgt haar medicijnen uitgereikt door de zuster. Een bakje vol pillen.
Mevrouw: Wat zijn het er veel!
Zuster hoofdschuddend: Elke ochtend weer hetzelfde liedje.
Meneer Paul: Ranja met een rietje.
(lachband krijgt zichzelf niet meer opgestart)

Aan het eind van mijn dienst had ik een zwaar Jeroen Poep aan je Schoen-gevoel.

2 gedachten over “Waren we maar rijk en niet zo knap”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.