Ben je soms een jood? Over racisme in verpleeghuis.

verpleeghuis tekening omhelzing Heleen NieleIedereen is dol op John. Hij woont al jaren in het verpleeghuis waar ik werk als woonondersteuner. Na een hersenbloeding is hij in een permanent spasme blijven hangen. Zijn nek staat recht naar voren waardoor zijn hoofd naar beneden hangt. Articuleren lukt niet meer. Zijn handen zijn verkrampt en zelf eten is bijna onmogelijk, al doet hij geregeld zijn best een stukje brood aan zijn vork te prikken. Als je hem zo ziet ben je geneigd te denken dat hij geestelijk niets meer waard is. Onterecht. Hij geniet als hij aandacht krijgt en lacht om grapjes. En hij is niet gek. Hij begrijpt alles wat je zegt.

Op zijn verjaardag kwam ik hem zingend wakker maken. Terwijl ik hem zijn pap gaf, vertelde ik een verhaaltje. Zijn ogen glommen van plezier. Hij probeerde wat te zeggen, maar ik verstond hem niet. Het duurde eindeloos lang voor ik door had dat hij zei dat ik lief was. Toen trok hij me naar zich toe en gaf me een kus op mijn wang. Iets waar ik doorgaans niet dol op ben – maar hem liet ik begaan en ik vond het een eer.

Vandaag had hij zijn kleindochter op bezoek gehad en ik zei dat het vast heel leuk was geweest. Just making conversation.  Maar toen hij reageerde, verstond ik hem niet. Ook niet nadat hij het vijf keer herhaald had.

Aan tafel zat een dochter bij haar slapende moeder die onze interactie volgde. ‘Stom,’ zei ik tegen haar, ‘dat ik hem niet versta.’ Waarop zij antwoordde dat John datzelfde zei, ‘maar op een beetje merkwaardige manier’.

John brulde nu zo ongeveer. Hulpeloos keek ik van John naar de bezoekster.

‘Ben je soms een jood?’ vertaalde zij Johns woorden met een verontschuldigende blik.

Ik herhaalde het ongelovig. Ontzet keek ik hem aan. Hij keek me aan met ogen die zeiden: precies! Dat heb ik gezegd. Ben je soms een jood?!

Dit had het einde van dit stukje moeten zijn. Een stukje over alledaags racisme dat steeds vaker de kop opsteekt.

Het kostte me die avond moeite om net zo aardig te zijn als anders. Gaandeweg verzachtte mijn gemoed. Zeker toen een andere bewoonster bij wijze van grap net deed of ze mij een klap ging geven.

‘Nee, nee!’ brulde John met ontzette blik.

Hij raakte zo overstuur dat de grappenmaakster moeizaam via de tafelrand naar hem toe schuifelde. Vanachter gaf ze hem een omhelzing. Hij slaagde erin zijn arm om haar nek te slaan. Saampjes lachten ze.

Maar het liefdevolle gekoer van mevrouw begon steeds benauwder te klinken. Ook Johns lach maakte plaats voor verontrustender geluiden.

Zonder het te willen drukte zijn arm haar nek steeds dieper tegen zijn borst. Ik kon alleen haar kruin nog zien. Hij was in een kramp geschoten en kon zijn arm niet weghalen.

Door rustig te praten en zijn arm aan te raken, lukte het  om iets van de spanning uit zijn arm te halen. Voorzichtig bevrijdde ik mevrouw en hijgend strompelde ze weer terug naar haar plek. Uitgeput keek John voor zich uit.

Het lukte me niet om boos op John te blijven. Wat hij zojuist ook zei. Vooroorlogs racisme uit zijn kindertijd. Toch?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.