Parkeren

(leestijd 1 minuut)

Ik kom mijn smalle straat in rijden. Het is laat en regenachtig. Alle parkeerplekjes zijn bezet. Ik rij langzaam om geen plek te missen. Op de stoep laat een man zijn hond uit – tenminste, dat neem ik aan. De man is groot en heeft tatoeages op zijn schedel. De hond zie ik niet, maar het tempo van de twee ligt dermate laag dat ik het woord ‘dik mormel’ al in mijn hoofd heb.

Daar zie ik een plekje. Het zal kielekiele zijn voor de stationwagon waar ik in rij. Voor ik aan mijn manoeuvre begin, zie ik in mijn zijspiegel dat de man stilstaat en mij in de gaten staat te houden. In mijn achterhoofd drenst  ongerustheid. Voor het eerst sinds ik hier woon voel ik me niet veilig.

Maar goed. Bang of niet; een mens doet wat’ie moet doen. Ik draai de auto op de parkeerplek en stap uit. Op de stoep komt de man mij tegemoet lopen. Hij is breed – ik kan er niet langs. Hij begint te praten.

‘Ik stond te kijken en dacht: ’t zal mij benieuwen. Dat wijffie in die grote auto. Maar je hebt ‘t ‘m geflikt. Zo strak had ik hem nou nooit kunnen parkeren.’

Vooroordelen – ook ik heb er last van.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.