Karnemelk?

(leestijd 2 minuten)

Vandaag werk ik weer als invalkracht in een verpleeghuis voor dementerenden. Mijn taak is het om in de huiskamer voor koffie en eten te zorgen en wat gezelligheid te brengen.

Als ik om acht uur binnenloop, zit mevrouw Wolters in haar rolstoel aan tafel. Nors beantwoordt ze mijn groet. Alweer een nieuwe, zie ik haar denken, daar gaat ze geen energie meer in stoppen. En ik begrijp dat. Elke dag andere mensen die de dingen op een andere manier doen – het is niet ideaal voor mensen die structuur nodig hebben.

Ik smeer een boterham voor haar en vraag wat ze wil drinken.

‘Doe mij maar karnemelk.’

Ik zet de beker voor haar neer. Ze buigt zich voorover, snift met haar neus.

‘Wat is dit?’

‘Karnemelk.’

‘Karnemelk? Ik drink geen karnemelk.’

Ik probeer haar nog even te bewegen een slok te nemen maar ze geeft geen duimbreed toe. Ze lust geen karnemelk en ik ben niet goed bij mijn hoofd als ik denk dat het anders zit. Ik haal haar beker weg en vraag: ‘Lust u wel melk?’

‘Ja, geef maar melk.’

Ik zet het voor haar neer.

Een voor een druppelen meer mensen de huiskamer binnen. Sommigen komen niet uit bed en geef ik eten op hun kamer. Dat komt steeds vaker voor. Omdat alleen de allerergste gevallen tegenwoordig nog in een tehuis mogen. Maar ook doordat er zoveel wordt bezuinigd op personeel waardoor een verzorgster nu net zoveel mensen moet ‘doen’ als vroeger twee.

De verzorgster heeft mevrouw Schipper vandaag toch uit bed gehaald en in haar enorme rolstoel getakeld weten te krijgen. Ze is bij mw. Wolters aan tafel gezet.

Mw. Schipper is kinds. Ze kijkt onschuldig de rondte door met haar blauwe ogen, praat niet meer en haar eetreflexen zijn bijna verdwenen. Alleen als ze liedjes van vroeger hoort, leeft ze op. Dan gaat ze blij lachen.

Ik tik met een lepel vla tegen haar onderlip. Gelukkig werkt die reflex nog een beetje; ze doet haar mond open zodat ik de vla naar binnen kan gieten.

Mw. Wolters kijkt belangstellend toe, een frons in haar voorhoofd. Haar beker melk heeft ze nog niet aangeraakt.

‘Dat ziet er lekker uit,’ zegt ze. ‘Ik ga d’r van soppen in mijn broek, zo lekker ziet dat er uit. Dat krijg ik nou nooit, dat heb ik al zeker een jaar niet meer gegeten.’

‘Is dat zo?’ zeg ik. ‘Dan haal ik toch een bakje vla voor u?’

Maar als ik het bakje voor haar neerzet, werpt ze het een vieze blik toe.

‘Dat moet ik niet!’

Maar zo makkelijk komt ze niet meer van me af. Ik dring aan terwijl ik mw. Schipper lepeltjes vla blijf geven.

Uiteindelijk neemt ze met een zuinig mondje toch een hap. Haar gezicht klaart op. Lekker! Verguld smult ze het bakje leeg.

Als ik de tafel afruim vraag ik of ze haar melk nog opdrinkt.

‘Melk? Ik drink geen melk. Ik moet er niet aan denken.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.